Gijpen: wat is het en hoe doe je het?

Gijpen is het overbrengen van het grootzeil naar de andere kant van de boot, terwijl je voor de wind vaart. Je gijpt wanneer je van koers wilt veranderen en de wind van achteren komt. Gijpen is daarmee de tegenhanger van overstag gaan: bij een overstag draait de punt van de boot door de wind, bij een gijp draait de achterkant van de boot door de wind.

De onderstaande afbeelding geeft de verschillende koersen aan. 

Gijpen, plaatje koersen met gijpkoers

Inhoudsopgave

Gijpen: Stappenplan

Gijpen, stap voor stap

1) Ga "ruime wind" varen

Ga eerst rustig op een ruime windse koers varen. Zorg dat het tuig goed gevierd is. Dat voorkomt dat de wind ineens achter je tuig kan komen en je een “klapgijp” krijgt.

2) Ga aan de lage kant zitten

Ga aan de lage kant zitten als roerganger. Dit heeft een aantal voordelen:

  1. Je zit dan aan de toekomstige hoge kant. Dus je zit alvast klaar voor de koers na het gijpen
  2. Als je straks je tuig gaat aantrekken als je gaat gijpen, dan wil de boot gaan oploeven. Als je je roer niet vast hebt, kan hij gaan tegenwerken. De helmstok wil dan naar de lage kant gaan waardoor de boot verder gaat oploeven. Zodra je van de voor de windse koers af bent, kun je niet meer gijpen. Alleen voor de wind kan het tuig aan beide kanten staan. Als je aan de lage kant zit dan kan je met je romp de helmstok tegenhouden waardoor hij niet meer naar lij kan.
De rest van de bemanning juist meer naar de hoge kant. Liefst helt de boot licht over naar de hoge kant. Als het tuig dan overgaat, gaat dat makkelijker. 

3) Val rustig af naar "voor de wind"

Val rustig af naar “voor de wind”. Doe dit gecontroleerd zodat je niet te snel draait en je een “klapgijp” krijgt. In plaats van naar je vaantje te kijken, kun je beter je fok in de gaten houden. Zolang hij wind vangt, vaar je NIET voor de wind en kun je nog NIET gijpen. Als je het wel probeert dan lukt je gijp niet!

4) Check of je "voor de wind" vaart

De beste check die je kunt doen om te bepalen of je voor de wind vaart, is op je fok te letten. Als je voor de wind vaart, zal het grootzeil alle wind uit je fok wegnemen. De fok beweegt dan naar binnen. We noemen dit het “doodvallen” van de fok. Dit is een veel nauwkeurigere manier om te checken of je voor de wind vaart. Als het goed is, laat de fokkenist zijn fok vieren als je afvalt. Als de fokkenist de fok strak aangetrokken heeft dan kun je het natuurlijk niet goed zien.

5) Geef het commando "Pas op voor de gijp"

Geef het commando “pas op voor de gijp” of “klaar de gijp”. De giek gaat straks hard over de boot heen komen. Als je de giek tegen je hoofd aankrijgt kan dat serieus letsel opleveren. Een gat in je hoofd of zelfs bewusteloos overboord gaan kan dan gebeuren. Waarschuw dus iedereen dat je gaat gijpen! Bij sommige boten zit de giek heel laag. Je moet dan dus diep bukken om de giek veilig over te laten gaan.

6) Trek het grootzeil snel aan en roep "gijp"

Trek zo snel mogelijk het grootzeil aan. Als je dat niet snel genoeg doet dan zal de boot gaan oploeven door de sturende werking van de zeilen. Zodra je niet meer voor de wind vaart, kun je niet meer gijpen. Op het moment dat je je tuig gaat aantrekken roep je “gijp”. Iedereen (ze waren al gewaarschuwd) weet nu dat de giek overkomt en dat ze moeten bukken.

7) In het midden geef je een rukje aan de schoot

Als je zeil recht in het midden staat dan geef je nog even een extra rukje aan de schoot. Je “leegt” hiermee het zeil. Hierdoor zal het grootzeil gemakkelijker overgaan.

8) Schoot snel uitvieren (tot aan de stag)

Je moet de schoot, na het rukje, snel laten uitvieren helemaal tot aan de stag. Je hebt het zeil snel binnengehaald en heeft dus snelheid gekregen. Als je ineens de schoot vasthoudt, kan het zeil zijn energie niet kwijt. Gevolg is dat de boot gaat hellen. Als de boot gaat hellen, komt de boordrand dichter bij het water. Als de boot gaat hellen dan gaat hij ook snel oploeven. Hierdoor gaat de boot nog meer hellen en bestaat de kans dat de boot ineens vol water loopt. Het is zelfs mogelijk dat er ineens zoveel water in de boot staat (tot aan de zwaardkast) dat de boot erg instabiel wordt. Doordat hij stevig helt, instabiel wordt omdat er veel water in staat, kan de boot omslaan!

9) Roer vast

Zodra je giek over is, wil de boot gaan oploeven. Dit wil je tegengaan door je roer stevig vast te pakken. De draaiing die soms toch ontstaat bij het gijpen wil je tegengaan zodat je niet ineens “halve wind” vaart.

10) Fok over

Als we gegijpt hebben dan kan de fok naar de kant van het grootzeil. Als je tenminste verder gaat oploeven. Anders kan je ook de fok te loevert zetten. Dan staat hij dus aan de andere kant dan het grootzeil. Hierdoor vangt hij wind in plaats van dat hij “dood” achter het grootzeil hangt. Als de fok te loevert staat dan zal je ook zien dat je boot minder loefgierig is. Hij heeft minder de neiging om op te loeven. Je hoeft dus minder roer te geven om je boot rechtuit te laten varen.

11) Gewicht weer goed verdelen

Na de gijp moeten we weer zorgen dat het gewicht aan boord goed is verdeeld. Voor de wind moet de boot recht liggen of iets overhellen naar de lage kant.

Draaigijp en S-gijp

Er zijn twee manieren van gijpen. Bij de draaigijp draai je in één vloeiende beweging door van ruime wind naar ruime wind. Het gijpen is dan onderdeel van de draai. Bij de S-gijp vaar je voor de wind en blijf je na de gijp voor de wind varen. Je stuurt kort aan om het zeil over te laten komen en corrigeert daarna terug. Het vaartraject lijkt op een S.

Voor Kielboot 2 hoef je alleen de draaigijp te beheersen. Vanaf Kielboot 3 moet je beide kunnen.

Wat is precies een klapgijp?

Een klapgijp is een onbedoelde gijp. De wind komt achter het grootzeil terwijl je dat niet wilt, waardoor de giek onverwachts overgaat. Je kunt een klapgijp wel zien aankomen. De giek gaat “wippen”. De achterkant van de giek gaat dan op en neer.

De wind kan achter het zeil komen als je je tuig niet ver genoeg hebt uitgevierd. Vier je grootzeil dus helemaal uit, tot de giek net niet de stag raakt.

Een klapgijp is gevaarlijk. De giek kan hard overkomen, waardoor bemanningsleden die dit niet zien aankomen een klap tegen het hoofd kunnen krijgen en zelfs overboord kunnen slaan.

Je voorkomt een klapgijp door gecontroleerd af te vallen, je tuig helemaal uit te vieren,  je fok in de gaten te houden en niet verder af te vallen dan voor de wind.

De 10 meest gemaakte fouten bij het gijpen

Veelgestelde vragen over gijpen

Een klapgijp is een onbedoelde gijp. De wind komt achter het grootzeil terwijl je dat niet wilt, waardoor de giek onverwachts overgaat. Omdat niemand erop rekent, is een klapgijp gevaarlijk voor de bemanning.

Bij een overstag draait de punt van de boot door de wind, bij een gijp de achterkant. Je gaat overstag als je tegen de wind in wilt, je gijpt als de wind van achteren komt.

Bij harde wind is gijpen risicovol. Je kunt dan kiezen voor een stormrondje: in plaats van te gijpen ga je overstag en draai je zo een heel rondje naar de gewenste koers. Dat duurt wat langer, maar de giek komt gecontroleerd over.

Een S-gijp gebruik je als je voor de wind vaart en na de gijp voor de wind wilt blijven varen, bijvoorbeeld op een lang voor de winds rak.

Hoe nu verder?

Wil je alles weten over de onderwerpen van Kielboot 4? Start dan met de online cursus Kielboot 4.

Geschreven door Wiebo Hobma

Zeilinstructeur met meer dan 30 jaar instructie-ervaring.  Leercoach en PvB-Beoordelaar.

Lees meer over Wiebo Hobma →

Laatst bijgewerkt:  

7 augustus 2026