Zeilmanoeuvres: alle manoeuvres op een rij
Zeilen is niets anders dan een reeks manoeuvres achter elkaar. Je vaart weg, je vaart een route waarbij je van koers verandert, je draait door de wind en je komt weer aan. Dit is natuurlijk een heel vereenvoudigde weergave, maar in beginsel komt het hier wel op neer.
Op deze pagina staan alle zeilmanoeuvres op een rij, verdeeld over drie groepen. Per manoeuvre lees je wat hij inhoudt en wanneer je hem gebruikt. Bij de manoeuvres die we apart hebben uitgewerkt, klik je door naar de volledige uitleg met stappenplan.
Wat is een zeilmanoeuvre?
Een zeilmanoeuvre is een gerichte handeling of opeenvolging van handelingen om in een bepaalde positie te komen. Hierbij zijn de koersen, het roergebruik, de schootbediening, de snelheid, de zeilstanden en de gewichtsverdeling van belang.
De manoeuvres moeten zo worden uitgevoerd dat ze veilig en doelmatig zijn, rekening houdend met de windrichting, de windkracht en de omgeving.
Onderverdeling zeilmanoeuvres
Je kunt de zeilmanoeuvres op verschillende manieren onderverdelen. Je zou ze kunnen onderverdelen in basismanoeuvres en bijzondere verrichtingen, maar wij kiezen voor een andere indeling: koersvaren en koersveranderingen, aankomen en wegvaren, en veiligheidsmanoeuvres.
1) Koersvaren en koersveranderingen
Hier gaat het om een bepaalde koers varen en om het wisselen van de ene koers naar de andere. Dat kan binnen dezelfde boeg, zoals bij oploeven en afvallen. Het kan ook met een wending, waarbij je met de boeg of met het achterschip door de wind draait.
Oploeven en afvallen
Oploeven is je koers veranderen naar de wind toe. Afvallen is je koers veranderen van de wind af. Bij allebei verandert de hoek waaronder de wind invalt, dus moeten de zeilen mee bewegen. Loef je op, dan trek je de schoten aan. Val je af, dan vier je ze. Doe je dat niet, dan gaan de zeilen killen of staan ze te strak. Hoe strak je de zeilen per koers zet, lees je op de pagina over zeilstanden.
Overstag gaan
Bij het overstag gaan draai je met de boeg door de wind. Je vaart aan de wind over de ene boeg, draait door de wind heen en vaart aan de wind verder over de andere boeg. De fok gaat over, de giek gaat over en de bemanning verzit. Je gebruikt deze wending als je naar een punt wilt dat bovenwinds ligt. Lees de volledige uitleg met stappenplan op de pagina over overstag gaan.
Gijpen
Bij het gijpen draai je met het achterschip door de wind. De wind komt van achteren en de giek gaat van de ene kant naar de andere. Dat gaat met meer kracht dan bij een overstag, dus haal je de giek gecontroleerd over. Gaat de giek onbedoeld over, dan noemen we dat een klapgijp. Lees de volledige uitleg met stappenplan op de pagina over gijpen.
Opkruisen
Tegen de wind in varen kan niet. Wil je toch een punt bereiken dat in de wind ligt, dan vaar je afwisselend aan de wind over bakboord en over stuurboord. Elke keer dat je van boeg wisselt, ga je overstag. We noemen dit opkruisen. Een andere benaming voor opkruisen is laveren.
2) Aankomen en wegvaren
Bij het aankomen en wegvaren kijken we altijd naar de windrichting ten opzichte van de plek waar we willen aankomen of wegvaren. Waait de wind van de wal af, dan spreken we van hogerwal. Waait de wind naar de kant toe, dan is het lagerwal. Waait de wind evenwijdig aan de wal, dan is het langswal. De windrichting bepaalt welke manoeuvre je kiest om aan te komen.
Aankomen aan hogerwal: de sliplanding
Aan hogerwal waait de wind van de wal af. Je nadert de kant op een aan de windse koers. Op deze koers regel je je snelheid door de zeilen “killend bij” te houden. Als je te langzaam gaat, spring je weer aan om weer een beetje snelheid op te bouwen. Op de laatste meter mag je nog oploeven tot in de wind zodat je de boot gemakkelijk af kunt houden bij de kant. We noemen dit een sliplanding. Lees de volledige uitleg met stappenplan op de pagina over de sliplanding.
Aankomen aan langswal: de opschieter
Aan een langswal waait de wind evenwijdig aan de kant. Je vaart op een halve windse koers recht op de kant af. Vlak voor de kant draai je snel de kop in de wind. Door de snelle draai, met veel roergebruik, raak je je snelheid kwijt. Tijdens het draaien laat je je grootzeil en fok los. Je wilt niet dat er nog extra voortstuwing is.
Aankomen aan lagerwal
Aan lagerwal waait de wind naar de wal toe. Aanleggen met je zeilen op is geen optie: je krijgt de snelheid niet uit de boot en de wind blijft je naar de kant blazen. Daarom strijk je ruim vóór de wal, op een aan de windse koers, het grootzeil. Daarna draai je op de fok naar voor de wind, haal je ook de fok weg en drijf je voor de wind naar de kant. We noemen dit aankomen voor top en takel.
Wil je meer controle houden, dan gebruik je een ankermanoeuvre. Je brengt bovenwinds het anker uit en brengt de ankerlijn over hek. Die lijn vier je gecontroleerd tot je op je plek bij de kant ligt. Wil je weer weg, dan draai je de boot met de kop in de wind, hijs je de zeilen en haal je daarna het anker op.
Wegvaren van hogerwal
Bij hogerwal waait de wind van de wal af, dus je vaart meteen vrij water in. Zet af naar bakboord of naar stuurboord, of zet naar achteren af en laat de boot deinzen. Deinzen is achteruit varen. Daarna val je over de gekozen boeg vol: je draait zover af dat de zeilen wind vangen en de boot vaart maakt.
Wegvaren van langswal
Bij langswal duw je de boot af naar bakboord of naar stuurboord, afhankelijk van de kant waar je heen wilt. Zodra de boot vrij van de wal ligt, trek je de schoten aan en vaar je af.
Wegvaren van lagerwal
Bij lagerwal waait de wind naar de kant toe. Direct wegzeilen lukt niet, want de wind zet je terug op de kant. Wrik of peddel daarom eerst weg van de wal, tot je ver genoeg vrij ligt om aan de wind te kunnen varen. Pas daar hijs je de zeilen.
3) Veiligheidsmanoeuvres
Veiligheidsmanoeuvres gebruik je als er iets misgaat of als de omstandigheden zwaarder worden dan je lief is. Oefen ze bij rustig weer. Je moet ze ook kunnen uitvoeren op het moment dat het harder waait.
Man-over-boordmanoeuvre (MOB)
Valt er iemand overboord, dan wijs je meteen iemand aan die de drenkeling blijft aanwijzen en niet meer uit het oog verliest. Daarna val je zo snel mogelijk af naar voor de wind. Dan vaar je tot over de aan de windse lijn en loeft dan op naar aan de wind. Je maakt een dwarspeiling en gaat overstag. Op een aan de windse koers haal je de drenkeling op. Op de sliplijn regel je je snelheid zodat je stapvoets bij de drenkeling aankomt. We noemen dit de man-over-boordmanoeuvre, afgekort MOB.
Bijliggen
Wil je stil liggen zonder de zeilen te strijken, dan ga je bijliggen. Je gaat aan de wind varen, je trekt de fok bak, het grootzeil laat je los en de helmstok doe je naar lij. De boot ligt dan vrijwel stil maar je kan zo weer snelheid maken door je fok over te doen en aan te springen. Handig om even een pauze te nemen, bij pech aan boord of als je even rustig wilt overleggen.
Als je dit met het grootzeil over bakboord doet dan hoef je het minste voorrang te verlenen.
Stormrondje
Bij harde wind wil je niet altijd gijpen, want de giek gaat dan met veel kracht over en soms lukt het niet om je grootzeil snel genoeg binnen te halen. In plaats van met het achterschip door de wind te draaien, draai je de andere kant op. Je loeft op, gaat overstag en valt af tot je op je nieuwe voor de windse koers ligt. We noemen dit een stormrondje. Zo kun je op een gecontroleerde manier het tuig naar de andere kant krijgen zonder te gijpen.
In de losse pagina’s werken we de manoeuvres stuk voor stuk uit, met stappenplan en de meest gemaakte fouten.
Veelgestelde vragen over zeilmanoeuvres
Wat is het verschil tussen overstag gaan en gijpen?
Bij overstag gaan draait de boeg door de wind, bij gijpen het achterschip. Je gaat overstag als je naar een punt wilt dat bovenwinds ligt. Je gijpt als de wind van achteren komt en je van boeg wilt wisselen.
Wat is het verschil tussen hogerwal en lagerwal?
Bij hogerwal waait de wind van de wal af. Bij lagerwal waait de wind op de wal aan. Dat verschil bepaalt of je zeilend kunt aankomen en hoe je weer wegkomt.
Waarom kun je aan lagerwal niet zeilend aankomen?
Omdat de wind je op de kant zet. Je komt er dan niet meer op eigen kracht vandaan en je loopt schade op. Daarom strijk je de zeilen ruim vóór de wal en kom je aan voor top en takel, of je gebruikt een ankermanoeuvre.
Welke manoeuvre gebruik je bij harde wind in plaats van een gijp?
Het stormrondje. Je draait dan de andere kant op, via overstag, zodat de giek niet met kracht overkomt.
Wat betekent deinzen?
Deinzen is achteruit varen. Je gebruikt het bij het wegvaren van hogerwal, door naar achteren af te zetten en de boot achteruit te laten lopen tot je genoeg ruimte hebt om vol te vallen..
Geschreven door Wiebo Hobma
Zeilinstructeur met meer dan 30 jaar instructie-ervaring. Leercoach en PvB-Beoordelaar.
Laatst bijgewerkt: