Stormrondje: zo wissel je bij harde wind van boeg zonder te gijpen
Een stormrondje is de manoeuvre waarmee je van “voor de wind” over de ene boeg naar “voor de wind” over de andere boeg gaat, zonder te gijpen. Je loeft op tot “aan de wind”, gaat overstag en valt aan de andere kant weer helemaal af. Op deze pagina lees je hoe je dat stap voor stap doet, waar je op let voor je veiligheid en welke fouten het vaakst gemaakt worden.
Het stormrondje, wat is het?
Een stormrondje is de manoeuvre waarmee je van “voor de wind” over de ene boeg naar “voor de wind” over de andere boeg gaat, zonder te gijpen. In plaats van je achterschip door de wind te draaien, draai je je punt door de wind. Je gaat dus overstag.
Om dat voor elkaar te krijgen moet je eerst helemaal naar de wind toe draaien en daarna weer helemaal van de wind af. Je vaart daarmee een volledige cirkel van ongeveer 360 graden. Je gebruikt deze manoeuvre vaak als het hard waait. Daar komt dan ook de naam vandaan. We noemen deze manoeuvre een stormrondje.
In de praktijk begin en eindig je vaak niet recht “voor de wind”, maar op “ruime wind”. Bij harde wind wil je die “voor de windse” koers sowieso vermijden. De manoeuvre blijft hetzelfde. De voorbeelden op deze pagina gaan daarom uit van “ruime wind”.
Het grote verschil met de gijp is dat de giek nu gecontroleerd over komt. Het vraagt wel wat meer ruimte op het water, maar bij harde wind is dat het waard.
Wil je eerst weten hoe je zeilen per koers staan? Lees dan de pagina over zeilstanden. Alle manoeuvres op een rij vind je bij zeilmanoeuvres.
Stormrondje of gijp: wanneer kies je wat bij harde wind?
Je gebruikt het stormrondje als gijpen te risicovol is. Dat is vooral zo bij harde wind, maar ook bij hoge golven.
Bij veel wind. Hoe harder het waait, hoe meer kracht er in het grootzeil zit op het moment dat de giek overkomt. Als de gijp niet gecontroleerd kan worden uitgevoerd, loop je het risico op een klapgijp. Als de giek dan hard tegen iemands hoofd aankomt, kan er serieus letsel ontstaan.
Bij het gijpen moet je de giek snel binnen kunnen halen. Bij harde wind lukt dat vaak niet. Als je je grootschoot aantrekt, wil de boot oploeven. Blijft die druk staan, dan draait de boot weg van “voor de wind” en wil de giek helemaal niet meer over.
Als het hard waait, kun je ook je zeil reven, waardoor er minder druk op het zeil staat. Dan kun je tot een hogere windkracht blijven gijpen zonder dat het onveilig wordt.
Bij een onervaren bemanning. Als de bemanning nog weinig ervaring heeft, kunnen zij het erg spannend vinden om met harde wind te zeilen. Een gijp vinden ze dan extra spannend. Omdat het stormrondje rustiger gaat, voelt het veiliger aan.
Bij veel golfslag. Bij veel golfslag schommelt de boot veel. De boot kan dan tijdelijk naar de verkeerde kant overhellen. Op een voor de windse koers kan de giek dan ineens over komen. De giek valt dan als het ware naar de andere kant. Je kunt dit voorkomen door ruime wind te varen en in plaats van de gijp een stormrondje te maken.
Het stormrondje is geen aparte eis binnen de diplomalijn van de Watersportacademy. Je vindt hem niet terug in de eisen van Kielboot 3 en ook niet in de eisen van Kielboot 4. Wel staat bij Kielboot 3 de S-gijp: gijpen van “voor de wind” naar “voor de wind”. Dat is precies dezelfde koerswisseling als het stormrondje. Het stormrondje is dus het alternatief voor die gijp op het moment dat het te hard waait. Het is een manoeuvre die je voor de veiligheid echt moet kunnen, vandaar dat we hem hier opnemen. Je bepaalt zelf of je hem gebruikt. Juist daarom moet je hem geoefend hebben voordat het hard waait.
Stormrondje: stappenplan
- 1. Kijk ruim van tevoren wanneer je het stormrondje wilt inzetten
- 2. Kondig het stormrondje aan
- 3. Loef "rustig" op tot aan de wind
- 4. Vaar even "aan de wind" tot de boot rustig loopt
- 5. Ga overstag: "Klaar om te wenden" en "Ree"
- 6. Val af tot "voor de wind": "Fok bak", en bij halve wind "Fok over"
- 7. Check je koers en je vaantje
Stormrondje: stap voor stap
Het stormrondje bestaat uit zeven stappen. Hieronder staan ze op volgorde, met per stap de uitleg.
1. Kijk ruim van tevoren wanneer je het stormrondje wilt inzetten
Een stormrondje kost veel meer ruimte op het vaarwater dan een gijp. Je vaart een volledige cirkel en je gaat eerst de andere kant op dan je uiteindelijk wilt. Kijk daarom ruim van tevoren waar je dat het beste kan doen.
Let ook op ander naderend verkeer. Als je van koers gaat veranderen, dan ben jij degene die voorrang moet verlenen volgens de algemene beginselen van de voorrangsregels.
In de vergelijking hieronder zie je het verschil in ruimte tussen een gijp en een stormrondje. We starten hier op een “ruime windse koers”. Dat is veiliger dan voor de wind varen bij harde wind. We eindigen ook weer op een “ruime windse koers”, maar dan over de andere boeg. Het tuig staat dan aan de andere kant.
Je ziet dat je bij het stormrondje al gauw 5 bootlengtes meer ruimte nodig hebt dan bij een gijp.
2. Kondig het stormrondje aan
Zeg wat je gaat doen voordat je stuurt. Je gebruikt het stormrondje vaak als het weer wat onstuimig is. De draaiing van de boot zorgt er dan voor dat de boot ook gaat hellen. Daar moet je je bemanning voor waarschuwen.
Daarnaast moet er in korte tijd veel gebeuren. Je gaat een rondje maken met een overstag erin, waarbij de fokkenist klaar moet zitten om de fok over te doen. Ook zal de rest van de bemanning van kant moeten wisselen om de boot de juiste helling te geven tijdens de wisselende koersen.
3. Loef "rustig" op tot aan de wind
Oploeven is naar de wind toe draaien. Vanaf “voor de wind” kun je in principe naar twee kanten draaien, maar er is er maar één goed: je draait weg van de kant waar je giek staat. Je helmstok gaat daarvoor naar het grootzeil toe. Draai je naar de kant van je giek, dan gijp je alsnog.
Je loeft “rustig” op van “voor de wind” via “ruime wind” en “halve wind” naar “aan de wind”. Dat is een draai van ongeveer 135 graden. Je maakt dus een behoorlijke draaiing. Terwijl je oploeft, trek je de grootschoot en de fokkenschoot aan. Je doet dit rustig, want er staat waarschijnlijk veel wind. Anders had je wel voor een gijp gekozen.
Dat aantrekken moet in hetzelfde tempo als je draai. Trek je te laat aan, dan gaan je zeilen killen, verlies je stuwkracht en verlijer je. Trek je te vroeg aan, dan staat je tuig al strak terwijl je nog ruim vaart. Dan krijg je een enorme helling.
Snel oploeven heeft twee gevolgen. Het eerste: de boot gaat hellen als je hard draait. Dat kan ervoor zorgen dat de boordrand onder water komt en dat er water binnenkomt. Het tweede: draaisnelheid gaat ten koste van voorwaartse snelheid. Wat je wilt voorkomen is dat de boot stil komt te liggen op het moment dat je overstag wilt gaan. Je hebt snelheid nodig om door de wind te komen. Zonder snelheid werkt je roer niet.
Je gewicht gaat naar loef (hoge kant)
Bij het oploeven neemt de kracht op je zeilen toe. De boot wil verder hellen en daardoor nog verder oploeven. Ga daarom tijdens het oploeven al naar de hoge kant zitten.
Voor de wind staat de boot recht, of helt hij een beetje naar lij. Op “aan de wind” heb je de meeste helling van het hele rondje.
Je roeruitslag blijft klein
Je stuurt bij dit rondje vooral met je zeilen en je gewicht. Je roer helpt, maar meer ook niet. Houd je roeruitslag op maximaal 45 graden. Zet je je roer verder uit, dan rem je meer dan dat je stuurt.
Bijzonder aan het stormrondje: je hoeft je roer tijdens de hele cirkel nauwelijks te verzetten. Je zet het uit bij het oploeven en houdt diezelfde uitslag vast tot je weer “voor de wind” vaart. De boot draait door omdat je hem door blijft laten draaien.
4. Vaar even "aan de wind" tot de boot rustig loopt
Wacht met de wending tot de boot weer loopt. Bij veel wind en golven kom je op een “aan de windse” koers met minder snelheid aan dan je denkt. Golven remmen je punt af, en je hebt net een draai van 135 graden gemaakt.
Vaar daarom even door op “aan de wind”. Dan pas ga je overstag. Doe je dat niet, dan blijf je halverwege de wending in de wind hangen.
Ben je geoefend en is het water vlak? Dan mag je het rondje in één vloeiende draai maken, zonder dit tussenstuk.
5. Ga overstag
Draai met je punt door de wind, net als bij een gewone wending. De volledige uitwerking van de manoeuvre staat op de pagina over overstag gaan.
Deze overstag is niet zo mooi als bij het opkruisen. Het doel is hier ook niet om hoogte te winnen of te behouden. De bocht die je maakt is korter. Dat houdt in dat je wat meer roer mag gebruiken. Zorg wel dat je snelheid houdt.
Let op bij het verplaatsen van het gewicht. Door de harde wind kan de boot al veel hellen. Trek je dan ineens je tuig hard aan en breng je het gewicht naar lij, dan kan er water in de boot komen. Veel water maakt de boot instabiel en dan kan hij zelfs omslaan. Gaat de boot zo schuin dat er water binnenkomt, laat dan direct je schoot los. De boot komt dan weer recht, tenzij jullie allemaal aan de lage kant blijven zitten.
6. Val af tot "voor de wind"
Val vlot af naar “voor de wind”. Dat doe je door je tuig maximaal te laten vieren en de fok bak te trekken en bak te houden. Zorg dat je je tuig helemaal laat vieren als je voor de wind vaart, dus net niet tegen het zijstag aan. Is het grootzeil niet ver genoeg gevierd, dan kan de wind er snel achter kruipen en krijg je alsnog een klapgijp. Vier je ver genoeg, dan gebeurt dat niet. Zorg er tijdens het afvallen voor dat de boot recht blijft.
De fok doe je over als je op “halve wind” vaart. Je wacht dus niet tot hij vanzelf te loevert springt. Bij veel wind wil je de fok niet te loevert hebben. Springt hij met een klap ineens te loevert, dan krijgt het topje van de mast een behoorlijke klap te verduren. De zijstagen zitten namelijk op de hommerring en niet op de topmastring, waardoor het topje van de mast geen ondersteuning heeft bij een kracht die van achteren komt. De voorstag zit wel aan de topmastring, maar die ondersteunt vooral krachten die van voren op de mast werken.
Op “voor de wind” stop je. Dat is het hele punt van deze manoeuvre: je wilde geen gijp, dus je mag niet verder doordraaien. Val je verder af, dan kom je “binnen de wind” te varen. De wind kan dan achter je grootzeil komen en dan krijg je alsnog een klapgijp.
7. Check je koers en je vaantje
Aan het einde van het stormrondje vaar je weer voor de wind. Het tuig staat nu aan de andere kant, zonder dat je hebt hoeven gijpen.
Je kunt er ook voor kiezen om niet “voor de wind” maar “ruime wind” te varen. Door golfslag of even niet opletten kom je dan niet binnen de wind terecht, waar de kans op een klapgijp bestaat.
Hoe weet je of je voor de wind of binnen de wind vaart?
Dat zie je aan je fok. Vaar je voor de wind, dan valt de fok dood. Hij staat dan in de luwte van het grootzeil en vangt geen wind meer. Wil de fok uit zichzelf naar de andere kant, dan vaar je binnen de wind. Dat is bij harde wind een gevaarlijke koers, want daar ontstaat de klapgijp. Loef in dat geval meteen weer een stukje op tot de fok weer dood valt achter het grootzeil.
Zo oefen je het stormrondje
Oefen het stormrondje bij 3 beaufort, ruim voordat je hem bij 5 nodig hebt. Zoek open water en gebruik een boei als vast punt.
- Vaar ruime wind langs de boei en vaar één stormrondje om de boei heen. Let alleen op de draairichting: draai je weg van je giek?
- Vaar hetzelfde rondje nog een keer. Let nu alleen op je schoten: komen ze mee in het tempo van je draai?
- Vaar het rondje een derde keer. Let nu alleen op het eindpunt: stop je op tijd, of val je door tot binnen de wind?
Drie rondjes, elke keer één aandachtspunt. Zo bouw je de manoeuvre op zonder dat je alles tegelijk hoeft te onthouden.
Stormrondje: hoe weet je of het goed ging?
Er zijn drie controlepunten waarmee je zelf kunt nagaan of je rondje klopte.
Je hebt geen gijp gemaakt. Het doel was om niet te gijpen. Ben je niet de verkeerde kant op gedraaid en ben je aan het eind niet te ver doorgedraaid? Dan ben je onderweg geen gijp tegengekomen.
Je positie en je giek kloppen. Je eindigt op ongeveer dezelfde plek en op dezelfde koers als waar je begon. Het enige dat veranderd is: je giek staat aan de andere kant.
Je hebt geen water binnengekregen. Je hebt de boot tijdens de hele manoeuvre onder controle gehad, er is geen water over de boordrand gekomen en je bent niet omgeslagen.
Stormrondje: waar let je op voor je veiligheid?
Draai de goede kant op. Draai je de verkeerde kant op, dan gijp je alsnog. Kijk waar je giek staat voordat je roer geeft. De helmstok moet naar het grootzeil toe. Als zeilinstructeur zie ik deze fout het vaakst.
Neem ruimte. Je vaart een volledige cirkel en je gaat eerst de kant op waar je uiteindelijk niet naartoe wilt.
Houd de schoten uit de klem. Bij harde wind wil je een schoot op elk moment kunnen vieren. Een schoot in de klem kost je die seconde.
Houd de schoten vrij. Zorg dat er geen hand of voet in een lus zit als een schoot losschiet of wordt aangetrokken. Zorg ook dat de schoot niet onder een vlonder vast kan komen te zitten. Je moet kunnen vieren op het moment dat er water binnenkomt.
Let op de helling bij het oploeven. De helling is het grootst op het moment dat je “aan de wind” komt. Dat is het zwaarste moment van de hele manoeuvre, niet de wending zelf.
Let op de voorrang. Je verandert van koers. Ontstaat daardoor een aanvaringskoers, dan ben jij degene die voorrang moet verlenen. Lees zo nodig de algemene beginselen van de voorrangsregels na.
Oefen hem bij weinig wind. Een manoeuvre die je voor het eerst uitvoert als het hard waait, is geen veilige manoeuvre. Vaar je stormrondjes bij 3 beaufort, dan kun je erop terugvallen bij 5 beaufort.
De 10 meest gemaakte fouten bij het stormrondje
1. De verkeerde kant op loeven Zo voorkom je het: kijk waar je giek staat en doe je helmstok naar de kant van het grootzeil. Trek je de helmstok naar je toe, en je zit standaard aan de hoge kant, dan draait de boot de verkeerde kant op en krijg je alsnog een gijp.
2. De grootschoot aantrekken terwijl je nog voor de wind vaart Dit is de gevaarlijkste fout van de hele manoeuvre. Trek je voor de wind je grootschoot aan om op te loeven, dan kun je spontaan gijpen. Precies wat je wilde voorkomen. Zo voorkom je het: loef eerst met je roer op naar “ruime wind”. Geef je helmstok dus een tikje naar het grootzeil toe. Pas daarna trek je je grootschoot aan.
3. Te weinig ruimte nemen Zo voorkom je het: kijk goed vooruit en bepaal van tevoren waar je het stormrondje gaat varen.
4. Het rondje niet aankondigen Zo voorkom je het: denk een paar stappen vooruit. Zeg wat je gaat doen voordat je de manoeuvre inzet. De bemanning moet weten wat je van plan bent.
5. De schoten niet in het tempo van je draai bedienen Zo voorkom je het: trek de schoten aan in hetzelfde tempo als je draai. Trek je te laat aan, dan killen je zeilen en kost dat je snelheid en hoogte. Trek je te strak aan, dan gaat de boot meer hellen en driften. Trek aan tot de zeilen net niet killen.
6. Het gewicht niet op tijd naar loef Zo voorkom je het: ga al tijdens het oploeven naar de hoge kant. Wacht niet tot de boot al helt en er water binnenkomt.
7. Overstag gaan met te weinig snelheid Zo voorkom je het: vaar eerst even “aan de wind” tot de boot loopt. Pas dan ga je overstag.
8. De fok te vroeg over doen na de wending Zo voorkom je het: geef het commando “Fok bak”. Zeg erbij dat de fokkenist de fok bak moet houden tot je “Fok over” geeft. Houd de fok bak tot je op “halve wind” zit. De bakgetrokken fok duwt de punt weg en laat je gemakkelijker afvallen.
9. Het grootzeil niet vieren tijdens het afvallen Het grootzeil laat de boot oploeven. Wil je afvallen, dan moet er geen druk in het grootzeil staan. Zo voorkom je het: vier het grootzeil ruim en vlot mee met je draai. Een vol grootzeil geeft druk achter het draaipunt en houdt je tegen bij het afvallen.
10. Afvallen tot “binnen de wind” Draai je verder door dan “voor de wind”, dan vaar je binnen de wind. Dat is de koers waarop je een klapgijp kunt krijgen. Zo voorkom je het: houd je fok in de gaten. Valt die dood, dan vaar je voor de wind en zit de fok in de luwte van het grootzeil. Wil de fok uit zichzelf naar de andere kant, dan vaar je binnen de wind en moet je snel weer even oploeven.
Veelgestelde vragen over het stormrondje
Wat is een stormrondje?
Een stormrondje is de manoeuvre waarmee je van “voor de wind” over de ene boeg naar “voor de wind” over de andere boeg gaat zonder te gijpen. Je loeft op tot “aan de wind”, gaat overstag en valt aan de andere kant weer helemaal af.
Wanneer kies je een stormrondje in plaats van een gijp?
Als een gijp te risicovol is. Dat is vooral bij harde wind, bij hoge golven of met een onervaren of angstige bemanning.
Hoeveel graden draai je bij een stormrondje?
Ongeveer 360 graden. Je loeft ongeveer 135 graden op naar “aan de wind”, draait ongeveer 90 graden door de wind en valt daarna weer ongeveer 135 graden af. Je eindigt op dezelfde koers als waar je begon, met het tuig over de andere boeg.
Hoeveel ruimte heb je nodig voor een stormrondje?
Ongeveer 5 bootlengtes meer dan voor een gijp. Je gaat bovendien eerst de kant op waar je niet naartoe wilt, dus je hebt aan beide kanten ruimte nodig.
Wat is het verschil tussen een stormrondje en een S-gijp?
Bij allebei ga je van “voor de wind” naar “voor de wind” over de andere boeg. Bij een S-gijp gaat je achterschip door de wind en komt de giek over. Bij een stormrondje gaat je punt door de wind en blijft de giek aan dezelfde kant tot je hem zelf laat overkomen. Het stormrondje kost meer ruimte, maar bij harde wind is dat de veilige keuze.
Naar welke kant draai je bij een stormrondje?
Naar de kant waar je giek niet staat. Je draait dan naar de wind toe, zodat de wind niet achter je grootzeil kan komen. Draai je de andere kant op, dan gijp je alsnog.
Waarom houd je de fok bak na de overstag?
Een bakgetrokken fok werkt als drukzeil en duwt je punt verder van de wind af. Bij harde wind gaat afvallen niet vanzelf, en die extra druk heb je nodig.
Is het stormrondje een eis van de Watersportacademy?
Nee. Het stormrondje staat niet als aparte eis in de diplomalijn Kielboot 1 tot en met 4. Wel staat bij Kielboot 3 de S-gijp, en het stormrondje is daarvan het veilige alternatief bij harde wind. Het is een veiligheidsmanoeuvre die je echt moet kunnen zodat je hem kunt uitvoeren als de omstandigheden erom vragen.
Kun je een stormrondje ook in je eentje varen?
Ja. Zonder fokkenist moet je de fokkenschoot zelf bedienen, dus dan is je timing belangrijker. Loef rustiger op en neem meer ruimte, zodat je niet alles tegelijk hoeft te doen.
Hoe nu verder?
Wil je alles weten over de onderwerpen van Kielboot 4? Start dan met de online cursus Kielboot 4.
- Volledige stof die je moet weten voor de theorie van de Watersportacademy Kielboot 4
- Flexibel studeren: leer waar en wanneer het jou uitkomt gedurende 1 jaar!
- Duidelijke filmpjes met transcriptie
- Oefenvragen per onderwerp
- Een community met studenten en instructeurs waar je ervaringen kan delen en vragen kunt stellen
- Gemaakt door een zeilinstructeur met meer dan 30 jaar instructie-ervaring
Op de volgende pagina lees je hoe je de boot rustig en gecontroleerd vaart met bijliggen.
Geschreven door Wiebo Hobma
Zeilinstructeur met meer dan 30 jaar instructie-ervaring. Leercoach en PvB-beoordelaar.
Laatst bijgewerkt: